zaterdag 2 juni 2007

Rwandaproces: de getuigen

De VN-waarnemer

'Ntuyahaga ondernam geen enkele poging om de tien Belgische para's te redden', verklaarde de Togolese commandant Kodjo Apedo deze week op het proces. In 1994 was Apedo kapitein en VN-waarnemer in kamp Kigali. Apedo zag het minibusje in het militaire kamp arriveren met daarin de tien Belgen en de vijf Ghanezen. Majoor Ntuyahaga zat naast de bestuurder. Apedo kon niet zeggen of Ntuyahaga in kamp Kigali het gerucht verspreidde dat (de) Belgen achter de aanslag op de president zaten. Toen de Belgen in het kamp aankwamen, waren daar volgens Apedo 1.500 tot 2.000 Rwandese soldaten verzameld. De Rwandezen waren allemaal gewapend, omdat zij 's nachts zonder Apedo's toestemming de wapenopslagplaatsen hadden geopend.

Tien minuten na hun aankomst werden vier van de tien Belgen zo hard geschopt en geslagen, dat ze vrijwel meteen bezweken, verklaarde Apedo. De zes overige slaagden erin zich in een lokaaltje naast zijn bureau te verschansen. Apedo trachtte de Rwandese soldaten buiten te houden, maar gaf het op toen een Rwandese soldaat een granaat in het lokaal dreigde te gooien. Belastend voor Ntuyahaga is dat Apedo hem duidelijk aanwijst als de officier die de tien Belgen en vijf Ghanezen kamp Kigali binnenbracht. Apedo zag Ntuyahaga ook terugkeren, een half uur nadat hij de Belgen in het kamp had gedropt. Ntuyahaga beweert dat hij de Belgen toen nog probeerde te redden. Apedo spreekt dat ronduit tegen.

De Ghanezen

'Het minibusje dat ons naar kamp Kigali bracht, stond met ronkende motor te wachten', getuigde Doe Kwesi eerder deze week. Doe Kwesi en Sandow Zambulugu zijn twee van de vijf Ghanezen die samen met de tien Belgen bij de woning van premier Agathe werden ontwapend en naar kamp Kigali werden gevoerd. Tijdens hun getuigenis benadrukten de twee dat er helemaal niets toevalligs was aan de rit naar kamp Kigali, en dat ze juist onder zware dwang waren meegenomen. Volgens Kwesi had niemand ooit het gevoel dat de Rwandezen hen naar 'een veilige plek' brachten, maar werden zij bij de residentie van Agathe 'krijgsgevangen gemaakt'. 'We zagen de dood voor ogen', zei Kwesi. Volgens Zambulugu liep iedereen met de armen in de lucht naar het minibusje en zaten de vijftien met opgestoken armen de hele rit uit.

Kort na hun aankomst in kamp Kigali werden de vijftien militairen zwaar mishandeld: 'De Rwandezen gebruikten alles wat los en vast hing om ons mee te slaan. We werden mishandeld met geweerkolven, stokken, stenen en ijzeren staven', getuigde Zambulugu. De tien Belgen werden volgens hem nog veel harder aangepakt. Bovendien droegen zij enkel hun blauwe baret en droegen de Ghanezen nog een helm. De vijf Ghanezen slaagden erin met zes Belgen in een lokaaltje te schuilen. De Ghanezen overleefden het drama, omdat ze het bevel kregen het lokaal via het raam te verlaten. Toen de Rwandezen hen uit kamp Kigali wegreden, hoorden de Ghanezen schoten. 'Toen beseften we dat de Belgen het nooit zouden overleven', zei Zambulugu geëmotioneerd.

Zeer belastend voor Ntuyahaga is dat de Ghanezen benadrukken dat de rit naar kamp Kigali helemaal niet toevallig, laat staan vrijwillig was. De Ghanezen voelden zich krijgsgevangenen, waren ontwapend en liepen met de armen in de lucht naar het minibusje, dat bovendien met ronkende motor stond te wachten. De twee Ghanese getuigen konden Ntuyahaga niet aanwijzen als de Rwandees die voor hun ontwapening en ontvoering verantwoordelijk was. Toch speelt dat niet erg in Ntuyahaga's voordeel, want de beklaagde ontkent helemaal niet dat hij de vijftien naar kamp Kigali heeft gevoerd.

De rijkswachter

'Ik heb Ntuyahaga niet gezien bij de residentie van Agathe. Ik heb ook niet over hem horen spreken.' Germain Gasamaza was één van de Rwandese rijkswachters die op 7 april 1994 de residentie van premier Agathe bewaakten. Hij hoorde hoe de tien Belgische para's beschoten werden toen ze bij de woning van Agathe aankwamen om haar naar Radio Rwanda te escorteren. Gasamaza zag die ochtend veel Rwandese soldaten naar Agathes woning marcheren. Toen de soldaten de ommuurde residentie van Agathe binnendrongen, hoorde Gasamaza hen tegen de Belgen roepen dat zij hun wapens moesten neerleggen en de armen in de lucht steken. De rijkswachter zag ook een minibusje in de straat - het is met een wit minibusje dat Ntuyahaga de tien para's en vijf Ghanezen naar kamp Kigali voerde. Gasamaza zag het busje op en neer rijden. Hij zag niet wie aan het stuur zat en herinnert zich evenmin de kleur.

Gasamaza's getuigenis is niet belastend voor Ntuyahaga, omdat de rijkswachter Ntuyahaga niet bij de Belgische blauwhelmen heeft gezien en ook niet over hem heeft horen spreken. De beklaagde zegt dat hij die ochtend voorbijreed, op weg naar zijn werk. Na het getuigenis van Gasamaza bleek dat minstens twee juryleden aan die versie twijfelen. Een jurylid vroeg de Rwandese rijkswachter of er die ochtend met al dan heen en weer schieten mensen passeerden om naar hun werk te gaan. Gasamaza antwoordde 'neen'.

De militaire auditeur

'Ik heb de ernstige verdenkingen in de moord op de premier en de tien blauwhelmen niet kunnen vaststellen.' Als auditeur bij de krijgsraad voerde Nicolas Van Winsen eind 1994-begin 1995 een deel van het onderzoek naar de moord op de tien Belgen. Voor assisen verklaarde Van Winsen dat hij 'geen enkel element over de betrokkenheid van Ntuyahaga bij de dood van de tien para's heeft gevonden'. Volgens de auditeur was de moord 'toevallig' en lag de slachtpartij niet in de lijn van een vooraf uitgedacht plan. Hij meent dat een onderofficier in kamp Kigali de Belgen aanwees als de plegers van de aanslag op het presidentiële vliegtuig: 'Wraak is gemakkelijk. Het was een massa tegenover een minderheid zonder verweer.'

De Rwandese militairen die de Belgen ontwapenden, hadden volgens Van Winsen niet de intentie hen te doden. Als dat wel zo was geweest, dan hadden ze dat wel meteen gedaan. De auditeur denkt evenmin dat de Belgen gedood werden opdat ons land zijn militairen uit Rwanda zou terugtrekken: 'Dan zouden ze niet op zo'n amateuristische manier zijn gedood. Als het georganiseerd was, dan zou het op een nettere manier afgehandeld zijn. Ze zouden dan niet op zo'n wrede manier zijn gedood.'

In Ntuyahaga's voordeel speelt uiteraard dat Nicolas Van Winsen in zijn onderzoek (dat onvolledig was, maar de ondervraging van vrijwel alle Belgische blauwhelmen omvatte, red.) geen belastende elementen over hem vond. Een opsteker voor de verdediging is ook dat Van Winsen niet gelooft in een plan, maar de moord op de tien Belgen 'een samenloop van omstandigheden' noemt.